Dag 7: laatste kans.
Nadat
we de afgelopen twee dagen steeds op kleinere meren hebben moeten
doorbrengen, vanwege het ruige weer, krijgen we de laatste dag
toch nog groen licht voor Lough Derg. Ferdinand staat klaar (op
zn inmiddels vertrouwde plekje voor de kerk), dus we kunnen
op weg. Marco en ik hebben lering getrokken uit de voorgaande
dagen: we kunnen bijna niet meer bewegen van de hoeveelheid kleren
die we aan hebben. Maar ja, beter te veel dan te weinig.
We gaan niet in Killaloe het water op. De wind waait nog
steeds
erg hard, en er zijn bepaalde stukken van het meer die je moet
vermijden. Gelukkig kent Lough Derg genoeg baaien waar je relatief
beschut bent, dus we hoeven alleen maar een stukje te rijden.
(...
als je nog een hele visweek voor de boeg hebt, ben je heel relaxed
over de snoekverwachtingen - tenminste, dat geldt voor mij. Lukt
het de ene dag niet, dan is er altijd nog een volgende om de schade
in te halen. Maar nu werkt die truc niet meer. Het is de laatste
dag en dus de laatste kans. Bovendien heb ik nog geen snoek gevangen
op Lough Derg, en dat maakt de druk alleen maar groter. Het móet
vandaag gebeuren. Maar met Ferdinand erbij zal dat toch wel lukken...
?)
Een piepklein jachthaventje. Er is geen hond. De Sylvan
van Ferdinand (één van de boten die hij al snoekend gewonnen heeft)
gaat in het water, de electronica wordt aangesloten en de spullen
gaan vanuit de kofferbak in de boot. We kunnen weg. Het meer ziet
er onrustig uit. De wind rukt in woeste vlagen aan de boot en
de passagiers. Ferdinand kiest voor een -relatief- rustige baai.
Ah, een verrassing! Hagel! Terwijl de stenen op mn hoed
kletteren, werpen en driften we over een redelijk ondiep stuk
water met volop plantenresten op de bodem. Steeds als ik het aas
inhaal, let ik geconcentreerd op of er misschien een schaduw achteraan
komt. Erg belangrijk, want de snoek wil hier nogal eens over grote
afstand volgen. Is de vis eenmaal bij de boot, zonder te hebben
aangevallen, kun je altijd nog je aas op het oppervlakte laten
dobberen, om de snoek alsnog te verleiden. Met mijn Musky Killer
(bucktail spinner) lukt dat alleen niet. En dus kan ik het snoekje
dat ineens bij de boot verschijnt niet meer uitlokken. Ach, het
was een klein apparaat. Als de grote exemplaren maar wat agressiever
zijn. Tijd zat.
Verder weg op het meer zagen we inmiddels gulzig rollende
schuimkoppen. Het werd grimmiger, en we moesten wennen aan deze
klotsende variant op snoekvissen. Tijd om te verkassen. Ferdinand
stuurde de boot steeds feilloos naar een nieuwe stek die we dan
twee of drie keer afvisten. Driftend en werpend. Op vrijwel elke
stek gebeurde wel wat. Volgers, happers, afhakers. Het was een
kwestie van veel en ver gooien. Niet dat subtiele geprik onder
overhangende takken en boothuizen wat we gewend zijn. Grote brokken
aas aan je hengel en zwiepen maar. En dat is, voor een weekje,
eigenlijk best ns lekker.
We deden stek na stek aan. Na twee uur vissen kwamen we
op een stuk met een paar merkwaardige boeien: het leken wel reusachtige
zeildobbers. "1 meter country!", riep Ferdinand boven
de wind uit. Hij had er hier al een aantal gevangen, net als een
stel eerder klanten. Dat beloofde wat.
(...
het water van Lough Derg was niet echt helder. In relatief windstille
periodes zal het beter zijn, maar nu was het zich hooguit anderhalve
meter. Mèt polaroid-bril, want anders zag je nog veel minder...)
Marco had een volger. Maar omdat ook hij met een zware
spinner viste, kon-ie het aas niet laten drijven. De snoek schrok
toen hij ons in de gaten kreeg en was direct weg. Geen meter,
geen vangst. Maar wèl een snoek.
We aten onze boterhammen en gigantische kitkatten en slurpten
onze koffie (met af en toe een héél klein beetje Bushmills). We
trokken van stek naar stek maar wisten steeds geen snoek aan boord
te krijgen. Tijd voor noodmaatregelen. Tijd voor zwemvesten en
imposante golven.
We
gingen naar de stek waar we de eerste Lough Derg-dag veel succes
hadden gehad. De wind was nog steeds op zn hoogtepunt, maar
het werd gewoon tijd voor een pittige stap. Ferdinand joeg de
boot over het water, en met grote klappen op de woeste golven
trokken we naar het beginpunt. Op deze stek konden we onmogelijk
staand gooien. De boot blééf maar heen en weer gaan. Zo goed en
zo kwaad als het kon, wierpen we de azen naar de aantrekkelijke
stekken. Rotspartijen met rottende planten, met een waterdiepte
van ongeveer vier meter. Ferdinand had beet. De snoek kwam direct
helemaal uit het water, buitelde rond en viel weer terug. Vlak
bij de boot werd het contact verbroken. Mis. En nog meer mis,
want de stek kwam weer uitstekend over de brug. In totaal volgden
er zon tien aanvallen (die we overigens alleen maar voelden
en niet zagen). Ik had er één waarbij mn baitcaster bijna
uit mn handen werd gerukt. Ik voelde het woeste schudden,
twintig meter verderop in een kolkende wereld die wij niet konden
zien. Maar hangen, ho maar. Drift na drift maakten we, steeds
opnieuw die bonkende tocht tegen de wind in. En het werd rustiger.
De wind nam af. En dat gold ook voor de activiteit onder
water. Het was zon dag. Zon dag waar elke verstandige
visser rekening mee houdt, maar die toch wel een klein beetje
pijn doet. Hoe kun je nou zoveel aanbeten hebben, en toch níks
aan boord hijsen? Het kan in elk geval, zoveel was wel duidelijk.
Daar dreven we, omringd door regenbogen, grauwe wolken en slierten
blauw. Een adembenemend Iers panorama. "Beetje slepen, jongens?"
Verandering van tactiek kan bijzonder nuttig blijken. Marco
en ik kozen een diepduikende plug, en Ferdinand trolde feilloos
over acht meter water heen. De pluggen raakten de bodem, maar
dat was geen probleem. Zand. En vis. Verschrikkelijk veel vis,
zagen we op de fishfinder. Mijn trillende hengeltop viel achter
mekaar stil, door de aanval van waarschijnlijk veel te kleine
baarzen. We trolden en trolden en trolden tot het tijd was om
een nieuwe diepte te kiezen. Vier meter dan maar weer. Andere
plug, zelfde water. En daar was, na twintig minuten, de bevrijdende
klap. Marcos grote rood-witte Rapala (eigenlijk de mijne,
maar daar gaat het even niet om) werd woest tot stilstand gebracht.
Ferdinand stopte de boot onmiddellijk, Marco sloeg aan en de vis
dacht er het hare van. Meters lijn nam ze mee, terwijl Marcos
baitcaster eerbiedig boog bij elke woeste uithaal. Ploef. Los.
Klaar. We bellen. Het was zon dag. Zelfs snoeken die extra
waren aangeslagen bleken ineens ware Houdinis. Het mocht
gewoon niet zo zijn. En het was fantastisch.
(...
snoekgarantie bestaat niet, tenzij je in de kweekbakken van het
OVB gaat klooien. Het kan altijd tegenvallen. Het is mij inmiddels
zó vaak overkomen, dat ik er wel mee kan leven. Het gaat om de
balans. Soms belachelijk veel snoek, vaak een gemiddeld aantal
en regelmatig helemaal niets. Blank, zoals dat zo
onverbiddelijk heet. Je moet je er bij neerleggen. Ik heb al zó
vaak gedacht dat ik eindelijk wist hoe het moest, dat ik eindelijk
iets begreep van de snoek. En dat is ook wel zo; je leert ook
steeds bij. Maar het blijft onzeker. Ook met een gids. Zorg in
elk geval dat je er àlles aan gedaan hebt...)
Geen snoek, dus. De wereld was inmiddels compleet tot rust
gekomen. De zon scheen gul en troostend over het spiegelgladde
water. We deden nog een wedstrijdje werpen (wie komt t verst)
en besloten terug te gaan. Pindakaas. Tijd voor Kilkenny.
Eenmaal terug in Killaloe bedankten we Ferdinand voor zn
bijzonder prettige diensten. We liepen zwijgend terug naar Kincora
House. Ursula deed open en vroeg meteen hoeveel we er hadden.
Ze vond ons zielig. Als het aan haar zou liggen hadden we elke
avond pijnlijke biceps van het sleuren en tillen. Naar boven,
voor een biertje in de kamer en wat voorzichtige inpakkingen.
Nog één keer tijd voor...
Goosers.
Het
was er weer vreselijk druk. Bij binnenkomst werden we -enigszins
besmuikt- uitgelachen door een ongelooflijk lelijk Iers kwarter.
Ik vind dat altijd wel mooi: zíj moeten elke ochtend weer moed
verzamelen voor ze in de spiegel durven kijken. Ik glimlachte
amicaal terug. Whatever. De dame achter de bar, een belangrijk
type, herkend me meteen. Al voor ik iets kon zeggen stond ze Kilkennys
te tappen. We raakten aan de praat, en toen ik vertelde dat we
voor de snoek kwamen, barstte ze los. Waarom hadden we haar dat
niet verteld?! Zij snoekte ook, heel fanatiek zelfs! Had een week
eerder zelfs nog meegedaan aan de European Pike Challenge.
Als ze had geweten was ons doel was, had ze ons een dagje meegenomen.
Leuk. Typisch weer zoiets waar je te laat achterkomt. Ik had het
wel eens aardig gevonden. Proost, Marco. Mooiweest. Tot ziens.