Dag 6: Ierse regen.



Het weer zou opnieuw een tandje ruiger worden, zo was voorspeld. En dat betekende dat Marco en ik ook vandaag niet alleen het grote Lough Derg op konden. Of mochten (het is maar hoe je het ziet). Maar ik moet toegeven vissen met windkracht 8 à 9 is me net iets te pittig.

Vandaag stond er een nieuw meer op het programma. Een grotere butsdit bord stond bij Doon Lough water dan Bridget Lough (waar we de vorige dag waren), met kans op grotere snoek. Er zaten meters. En da's misschien gek: als er ergens meters zitten, dan zou je ze ook kunnen vangen. Nou vind ik een Nederlandse meter over het algemeen al erg goed smaken, maar een Iers exemplaar zou me genoeg stof geven voor 3 jaar onrustige dromen. Wie weet?

Doon Lough is niet bijster groot. Eigenlijk is het maar een heel modale plas. Misschien nèt een kilometer lang, en een meter of driehonderd breed. Het weer was nogal boos, die dag. Er stond schuim op de golven die met grote haast van links naar rechts over het meer rolden. En het regende. Nog niet echt hard en zeker niet continu. Maar tijd om je regenjack uit te doen was er ook weer niet.

Ferdinand vertelde ons onderweg over de te volgen strategie (ja hoor, alweer trollen), en wat hij en verschillende groepen gasten er hadden meegemaakt. Er waren meters uitgekomen. En die waren natuurlijk weer keurig teruggezet (bedankt jongens). We moesten maar vooral trollen op een meter of vier (bekend verhaal) en als dat niet gang een keer naar zes meter. Er was een baai die ook gooitechnisch interessant is (als je bij de trailerhelling staat, schuin links aan de overkant). Juist daar zaten vaak de grotere snoeken. Tussen de plantenresten en de rotsen. Uitkijken, dus.

We pruttelden meteen naar het midden van het meer, om in relatieve rust onze hengels in elkaar te kunnen zetten en de favoriete azen strategisch in de boot te hangen. Dik ingepakt dronken we een stevige bak van Ursula’s wonderkoffie. We konden beginnen.

De wind had ons aan lager wal gebracht. Tenminste, bijna. Daar begonnen we. De fishfinder (Bud) ging aan, de pluggen belandden zwierig achter de boot. Het varen (Marco doet dat altijd) viel niet mee. De golven waren woest en lastig. Een rechte lijn varen was dan ook onmogelijk. Maar Marco heeft wel vaker met dit bijltje gehakt, dus het ging redelijk goed. En dat gold ook voor de aanbeten. Al snel voelden we, keurig om de beurt, hoe er aan onze onzichtbare azen geknaagd werd. Meestal kleine tikjes. Waarschijnlijk baars. Na een kwartier volgde er opeens een groter tikje. Een tik. Dit was óf een hele sterke baars, óf het soort vis waarvoor we gekomen waren. Klotsend op de steeds hogere golven, akelig dicht bij de kant, moest Marco twee hengels binnendraaien en de boot manoeuvreren. Mijn taak was simpel: drillen. Dat ging lekker. De snoek (nog geen 80 centimeter, bleek later), had er zin in. Of juist geen zin in (het is maar hoe je het bekijkt). Er volgden talloze sprongen en machtige vluchtpogingen onder en langs de boot. Deze vis had duidelijk persoonlijke problemen met onze verslaving. Maar natuurlijk lukte het (zorg gewoon voor goed, sterk materiaal. Overdreven bestaat in Ierland eigenlijk niet. En, trouwens, als je wat langer vist, weet je eerder wat een vis van plan is), en kon Marco de vis keurig in de boot brengen (zorg dat je de kieuwdekselgreep beheerst: lukt altijd). We waren blij, en het stopte met regenen. En het begon weer. En er viel steeds meer. Maar we waren nog steeds blij. "Mannenweer!", schreeuwde ik stoer boven de wind uit. Fout.

(... normaal heeft Marco het alleen: als hij zegt dat de zon zo lekker schijnt, schiet er ineens vanuit het niets een regenwolk boven ons hoofd. Laat hij heel tevreden weten dat de wind eindelijk even wat minder wordt, komen er altijd meteen drie scheppen bovenop. Bij mij ligt dat anders. Als ik zo’n opmerking plaats, verandert er helemaal niets. Maar in Ierland werd dat ineens anders...)

Het weer werd grimmiger. De zo karakteristieke Ierse regen (aan/uit, aan/uit), had inmiddels plaatsgemaakt voor een briesende Oud-Hollandse bui. Zo’n bui die de hele dag blijft hangen, en zelfs ‘s nachts onverstoorbaar door gaat. Ook de wind liet steeds duidelijker merken dat-ie het ons niet makkelijk zou maken. De golven werden hoger, het schuim talrijker. En in dit -nogal pittige- weer, zwoegden twee natte vissers uit Nederland de plas over. Over het talud, drie hengels trillend en butsend in de boot, verleidelijke azen die in een onzichtbare wereld hun werk deden.

Hap.

Een aanbeet op de bijhengel (Marco had ‘m via een constructie klem weten te zetten; de andere hengels hadden we gewoon in de hand). Ik haalde snel de overgebleven lijnen binnen, Marco mocht drillen. Maar niet zo heel hard. Want het was een baars. En de punt van een van de dreggen hing achter z’n kieuw. Vals haakje, dus. Maar wel een mooie vis. En een heel duidelijke verklaring voor de ontelbare kleinere tikjes die we steeds voelden.

Doon Lough heeft een soort L-vorm. Nadat we een aantal keer de lange poot hadden afgetrold, visten we nu een keer over het verbindingsstuk tussen lange en korte poot heen. Een heel aardig talud. Zeer grillig, maar goed te doen (heel ondiep? Hengeltop omhoog en spanning van de lijn). Ik werd plotseling verrast door een harde, felle aanbeet. Zeker geen baars. Het bleef enkele minuten onduidelijk waarmee ik precies aan het stoeien was, tot er ineens een gouden gloed onder het oppervlak verscheen. Mooie snoek! Boze snoek! Metersnoek? Nee. Als je alleen d’r kop had gezien, had je er nog best in kunnen trappen. Maar, nee, het was geen meter. De vis85 centimeter oerpret kroop nog drie keer onder de boot, probeerde een keertje in de motor te zwemmen, en gaf het ten slotte op. En als een Ierse snoek dat doet, zo is gebleken, dan is het ook echt over.

(... snoeken uit Nederland hebben de laffe gewoonte om vaak pas tegen de boot aan liggend of zelfs in je handen te gaan vechten. Eerst doen alsof ze gewoon helemaal geen kracht hebben, om vervolgens achteraf ineens stoer uit de hoek te komen. Nee dan de Ierse snoek. Ze vechten voor wat ze waard zijn, maar als ze uiteindelijk (op hun zij of hun rug) naast de boot liggen, kun je er ook alle kanten mee uit. Geen kik geven ze, als je ze aan boord hijst. Alsof ze wéten dat het gewoon slimmer is mee te werken. En dat laffe Nederlandse ‘doen alsof je er bent geweest’, zodat je de snoek na het onthaken nog drie minuten in het water moet reanimeren, dat kennen ze ook al niet. Vechten. Onthaken. Deftig wegzwemmen. Klaar ...)

Goed, de tussenstand. Twee snoeken voor Marnix, nul voor Marco. Tot zover. Want er zouden er nog veel meer volgen. Daarvan waren we overtuigd. Enfin, het talud wat we zojuist hadden ‘gevonden’, bleek dus een spannende stek. We trolden er nog een aantal keer overheen en ondergingen de nodige aanbeten. Twee keer bleef een snoek zelfs even hangen (zelfs op twintig meter afstand voel je het majestueuze, boze schudden van de forse kop), maar daar bleef het bij. We gingen maar even voor anker. Het enige luwe stuk van de plas was uitermate geschikt voor een verse kop koffie en een reusachtig stuk Ierse appeltaart. Apple pie. En daar gingen we weer.

De baai die Ferdinand ons had aangeraden, zag er (op de fishfinder) niet bijster interessant uit. Een erg regelmatig bodemverloop, en weinig planten. We gingen wat dichter naar de kant. En daar zag ik ze plotseling liggen: rotsen. Grote gele keipartijen die stiekem en stil naar onze romp loerden. De punt van de boot ging er precies tussendoor. Ik waarschuwde Marco, zodat we heel voorzichtig achteruit konden. Geen problemen. We gooiden er een kwartiertje (want dat soort conglomeraties van rotsen is altijd interessant), maar maakten niets mee. Toch nog maar het talud een paar keer doen. Elke vaarbeurt leverde wel een aanbeet op. Maar dan ook niet meer dan dat. Was het misschien tijd om dat andere meer ‘ns op te zoeken? Dat meer dat ongeveer even groot was, en dat we via een moeizaam tussen stroompje zouden kunnen bereiken? Ja, daar was het tijd voor.

(... vóór wij in Ierland aankwamen, had het nogal stevig geregend. Aan één stuk door zelfs. Daarom waren de meren allemaal een stukje hoger (en bruiner, vooral), en stonden er grote stukken weiland onder water. In Bridget Lough, waar we dag 5 hadden gevist, waren zelfs alle plateaus voor de witvissers onder water verdwenen. En ook hier was niet alles helemaal zoals het had moeten zijn...)

Marco en ik zochten koortsachtig naar een doorgang. Oké, er was overal riet, en dat riet stond overal onder water. En wáár je ook maar keek, achter dat riet, glinsterde het. Maar wat was nou de juiste plek? Na bijna twee keer de rotsen te zijn opgeschoven ("hier is het niet"), vonden we een aannemelijke doorgang. Het zou er een kunnen zijn. Heel voorzichtig gleden we tussen de rietpluimen door. Nog steeds 2 meter onder de boot! De wind sleurde ons vaartuig alle kanten op. Marco draaide de boot, tilde de motor iets uit het water, en zo voeren we met de achterkant vooruit door een onbekend gebied. Het werd nu steeds ondieper, maar Marco kon goed zien waar het gevaar lag. Ik had m’n handen bij de roeispannen voor het geval dat. Was dit de plek? Ik twijfelde, maar Marco zag het wel zitten. Om ons heen staken kleine stukjes paal boven water uit. Daaronder, onzichtbaar door het troebele water, liepen grote banen prikkeldraad. Hekken. Maar het werd weer iets dieper. We konden uiteindelijk de boot weer draaien om voorzichtig verder te gaan. Het was een onwezenlijk landschap. Volstrekt onduidelijk waar normaal de sloot stopte en het weiland begon. Overal was wel water. Zo af en toe wees een wegrottend lelieveld ons de weg.

Een kom. Heel duidelijk zichtbaar. Eindelijk een stukje volwassen water. En die kom, daar zouden we langs moeten, zo had Ferdinand ons verteld. Dus we zaten toch goed? De sloot en al het extra water aan de randen, kronkelde door het landschap. Gezonde, dikke, Ierse koeien bleven ons brutaal volgen. We waren nu minstens twintig minuten onderweg. Wel wat lang. Een bocht naar rechts, honderd meter door, en een miniscuul stroompje, omgeven door rotsen. Veel twijfel, maar als je al zo ver bent, ga je niet zomaar terug. We naderden een ronde, stenen brug met een dikke, onvriendelijke kabel schrikdraad. Bukken. Hier stroomde het water behoorlijk. Dit was geen sloot. Dit was een riviertje! We gingen door, tot we in de verte, aan de rechterkant, een vreemde paarse bult uit het water zagen steken. Een rots met pittoreske kruiden erop? Eenmaal dichterbij zagen we wat het was: een verdronken, rottende koe. De paarse bult (haar rechterzijkant), werd abrupt wit op de plek waar het lijkt het water raakte. Geen stank. Maar het stuk koude pizza dat ik net had uitgepakt ging weer even terug. Glooiende weilanden, in de verte een dappere poging tot berg. Koeien. Groen. Regen. Zon. Een bocht. En we pruttelden ineens onder een groen afdak door. Een soort tunnel van boomtakken. Meer stroming (ik dacht zelfs dat het stroompje hier bergafwaarts liep, maar volgens Marco was dat verbeelding). Het werd smaller. En ineens wisten we heel zeker dat we hier niet goed zaten. Ik ging staan en probeerde naar het eind van de tunnel te kijken. Waarom stroomde het daar zo hard? Zou het misschien...Marco denkt er het zijne van...

We hadden even geen zin in een waterval. Niet omdat we verwachtten tientallen meters naar beneden te storten, maar meer uit voorzichtigheid. Dit was niet onze boot. En wie weet hoe ingewikkeld het zou worden om uit die situatie te komen. Geen risico, dus. Omkeren. Terug langs de koe. Marco belde Ferdinand. Die wist waar we zaten. En dat was niet waar we moesten zitten. Leuk. Vond hij. En Marco en ik, ach, we konden er ook wel om lachen. Alleen kut van de gemiste vistijd. Minstens een uur.

Eindelijk terug op het meer. Ferdy had verteld waar we wel moesten zijn, dus daar gingen we meteen heen. Helaas, pindakaas. Ook aan de kant waar we doorheen moesten, was totaal niet te zijn waar het oorspronkelijke slootje liep. Weer overal water. Marco wilde het toch proberen, en niet veel later zaten we bijna klem tussen de gulzige rotsen. Motor uit het water, roeispanen erin. Duwen, sjorren, trekken, vloeken, los. Dit was geen vissen. Dit was zwoegen voor niks. Hooguit goed voor een aardige anekdote. Maar die hadden we liever in snoekvorm.

De regen hield nooit meer op. Alsof er een jaar lang gespaard was voor dit ene moment. Ter ere van ons. En alhoewel we voldoende kleding één - nul voor het weeraan hadden, waren we toch niet goed voorbereid op de nattigheid. M’n schoenen stonden vol water, en omdat ik zo koude voeten kreeg, werd het langzaam overal koud. Marco had daar al wat langer last van. Als ik naar ‘m keek, zag ik af en toe onbeheerste rillingen door z’n lijf gaan. Mannenweer? Oké, genade. Wij zijn geen mannen. Ferdinand!!!

We stopten anderhalf uur eerder dan gepland. Tot op het bot verkleumd. Drijfnat. Rillend en trillend. En dodelijk melig. Eenmaal aan de kant, sopten we de straat op. Er was nog een bier voor allebei. Foto voor later. Een gekke dag.

Eenmaal thuis werden we opgevangen door een bezorgde Ursula. Ze had echt met ons te doen, en vertonschuldigde zich -totaal overbodig- voor de heftigheid van het weer. Als we al onze natte spullen even aan haar wilden geven, zou ze zorgen dat we ze de volgende dag weer aan konden. We gingen douchen, lagen even op bed en trokken een flink pakket frisse kleren aan. Tijd voor Molly’s.

(... Molly’s heeft sinds kort een discotheek in de kelder. Als je, vanuit het restaurant of de pub naar de wc in de kelder loopt, kom je er langs. Door de open deur kijk je rechtstreeks op de dansvloer die ze hebben laten modelleren naar het exemplaar uit Saturday Night Fever. Stampmuziek. En muziek die hier inmiddels gekoesterd wordt als Gouwe Ouwe, maar die in Ierland waarschijnlijk nog moet doorbreken. De wc stinkt trouwens behoorlijk. Maar in het restaurant merk je daar niks van...)

Een flink bord eten. Erg lekkere steak. Prima groenten. Frisse Kilkenny’s. En na afloop een paar pints Guinness in de pub. Een verrassing. Als we binnenkomen bouwt een eenmansband net z’n act op. Een half uur later begint hij z’n show. De nieuwste hit van Ronan Keating, gevolgd door de Beatles. Dan ‘California Dreaming’ en daarna ‘That don’t impress me much’ van muurbloempje van de week Shania Twain. Hij zingt goed. Niet echt bijzonder, maar weet wat-ie kan. Bovendien is het een echte entertainer: binnen no time heeft hij de pubgangers om zich heen bij z’n act betrokken. Iedereen zingt mee; de aanvragen vliegen door de lucht. Als ik nog een Guinness haal, word ik aangeklampt door een dronker Ier. Hij heeft me horen praten, en is tot de conclusie gekomen dat ik hier niet vandaan kom. Bij het woord ‘Amsterdam’ wil hij me bijna zoenen. Amsterdam! Dat kent-ie wel. Er volgt een verhaal over bollen pellen en rozen trekken, over dorpjes die ík niet eens ken en de bijzondere charme van Amsterdam. Als hij het woord uitspreekt, lijkt het net of hij heel hard wil gaan huilen. Ik maak me los uit z’n omhelzing, ga terug naar Marco en laat een charmante dame m’n fototoestel bedienen. Klik. Twee dudes met Guinness. Klik. Licht uit. Tot morgen.

 

 

Voor iedereen die de 'oude' Derg Diary nog heeft gezien: ik heb inderdaad gezegd dat ik er niets meer aan zou doen. Maar ach, je leert 'ns wat nieuwe dingen, en die wil je uitproberen. Bovendien had ik het wel weer gehad met die frames. Vandaar. (Marnix, 15 - 4 - 2000)