Dag 5: leren, leren, leren.
Je
weet precies hoe je moet snoeken. In Nederland vind je feilloos
de stekken waar je zaken kunt doen. Je weet wat je moet doen,
hoe je het moet doen en waarméé je dat moet doen. En natuurlijk
weet je precies waar je moet zijn. Want je kunt jezelf uitstekend
redden. Maar dan sta je ineens aan Bridget Lough. En alles wordt
ineens compleet anders.
...
tijd voor nieuwe ideeën.
Gelukkig
zijn we zojuist afgezet door de ideeën-man. Ferdinand heeft een
van zn bijboten, speciaal bedoeld voor dit soort projecten,
te water gelaten, en Marco en ik zitten er inmiddels in. Bridget
Lough is eigenlijk geen meer zoals een meer bedoeld is. In elk
geval geen typisch Iers meer. Je zou het beter kunnen omschrijven
als een royaal netwerk van kleine beetjes water. Telkens als je
ergens een hoek om komt, ontdek je weer een nieuw stuk. Het heeft
iets Hollands, iets van De Botshol, bijvoorbeeld. Veel riet en
rustige vaartjes. De snoek wordt er dan ook niet groot. Een centimeter
of 80, dan heb je het heel goed gedaan.
(...
we zijn hier neergezet omdat het nogal spookt op Lough Derg. Als
het daar stevig waait, kunnen de golven 2 meter worden. Dat wilde
Ferdinand ons besparen. En als-ie dat niet had gewild, had ik
er zelf wel voor gezorgd. Maar goed, Ferdy heeft dus altijd alternatieven
achter de hand. Niet voor niets zitten we hier in het Lake
District. Er zijn ongeveer veertig meren, en Ferdinand kent
ze allemaal. Bij enkele meren kan zn boot getrailerd worden,
en waar dat niet kan, neemt hij zn net iets lichtere visboot
mee. Met twee man is die prima in het water te tillen. Dus wat
ik maar wil zeggen: je hoeft je er nooit te vervelen, zelfs niet
als je ineens een maand gaat...)
Bridget
Lough moet in de zomer een lelieparadijs zijn. Zelfs nu, op 30
september, zie je nog pakketten liggen. Oké, ze hebben al bijna
verloren van het najaar, maar ze doen nog erg hun best. Marco
en ik zijn dol op lelies. In Nederland doen we bijna niets liever
dan onze spinnerbaits er langs en doorheen jagen. Snoek houdt
van lelievelden. En er is niets mooier dan je spinnerbait de bladen
te zien teisteren, terwijl twee meter verderop ineens een boeggolf
ontstaat die woest richting aas zwoegt. Dus we beginnen met de
lelies, alhoewel Ferdinand ons heeft aangeraden te gaan trollen.
(...
nou moet je weten dat Marco en ik een haat/liefde-verhouding hebben
met trollen. We hebben het wel eens met succes gedaan (en dat
is altijd leuk), maar meestal leverde het niet veel op. En dan
wordt het ineens zon eindeloos gedoe. De hele middag zwijgend
over het water cruisen, urenlang naar je top kijken of de plug
nog wel lekker loopt. Veel vastzitten dankzij een grillig bodemverloop,
en weinig vangen. Tenminste: te weinig. Wij besteden onze tijd
liever aan het afgooien van mooie kantjes met overhangende bomen,
jachthavens, lelievelden en veelbelovende kommetjes. Maar dat
zou dramatisch gaan veranderen...)
De
boot drijft loom op het kalme water, terwijl Marco en ik onze
spinnerbaits door de lelies sleuren. Flonker, spetter. Vol verwachting.
Want er zit hier veel snoek, zo heeft Ferdinand ons verteld. We
proberen een nieuw stuk. Tien minuten. En er gebeurt niets. Geen
aanval, geen spetter. Helemaal niets. En dat vertrouwen we dus
niet. Dat klopt niet. We gaan rustig zitten in de boot, schenken
Ursulas koffie in en bespreken de strategie. Toch maar even
trollen, dan? We zijn hier nou toch, de dag duurt nog lang, en
erg ver kan Ferdy er natuurlijk niet naast zitten. Oké, het wordt
dus trollen. De pluggen worden een meter of zes, hooguit tien,
achter de boot gegooid, en het slepen kan beginnen. Nou is Bridget
Lough een stuk dieper dan je op het eerste gezicht zou denken.
Ik vertelde al dat het op bij ons bekende en beviste Nederlandse
stekken leek, maar dat is maar schijn. Soms zit je, nog maar nauwelijks
een meter uit de kant, al op water van drie meter diepte! Op de
meeste stukken wordt het nooit meer dan vijf meter, maar dat is
toch veel meer dan je verwacht. Gelukkig hebben we voor de reis
ook Bud ingepakt, onze mobiele fishfinder. Aan de
hand van zijn schetsen blijven we keurig over vier meter water
heen varen. Met de pluggen op een meter of twee.
We
cirkelen rustig om een mooi eilandje heen (met trouwens schitterende
werpplekken, maar we hebben nog de hele dag...) als
de telefoon gaat. Het is Tiddo. Hij staat op het punt te vertrekken
uit Shannon, maar wil toch wel even weten hoe het gaat. Nou, eh,
goed. Niks gevangen, maar we zijn nog maar een minuutje of twintig
bezig, en wat niet is ka.... beng! Snoek nummer 1! De hengel buigt
in woeste halen flink door, en ik heb geen flauw idee wat ik aan
het drillen ben (want ook de kleine exemplaren kunnen compleet
exploderen). Marco geeft het nieuws door en hangt op. Ik zie de
snoek. Een centimeter of 75. Mooi donkergroen met gouden spikkels.
Een echt Iers apparaat. Marco landt de snoek (zo doen we dat altijd:
de vanger vangt en de toeschouwer zorgt dat de snoek aan boord
komt) en we bewonderen haar. Jippiekayee! High Five! Snoek terug,
wij door.
Ik
vang er nog een. Marco twee. Ik weer een. En nog een. Dan Marco
weer. Even niets en dan ben ik toch weer aan de beurt. Twee achter
mekaar. Marco weer eentje. Een kleintje dit keer. En tussendoor,
een groot aantal missers (dat wil zeggen: ze missen
niet altijd, maar ze blijven vaak niet goed hangen). We cruisen
het hele gebied door, en bijna overal gebeurt wel iets. Allemaal
trollend, want omdat dat werkt, doen we niet anders meer.
(...
even over de lunch. Ursula wist ons steeds te verrassen met kleinigheidjes.
Een stevig broodje met verse kipsla, een stuk Ierse appeltaart,
een bakje yoghurt of een reusachtige KitKat. Alleen op deze dag
had ze iets voor ons gemaakt waar we wat meer moeite mee hadden.
En het leek nog zo lekker en bijzonder. Een dikke boerenboterham
met een reusachtig stuk zalm. Grof gerookt, met het velletje er
nog op. Nou hou ik best van zalm, maar toen ik op dat velletje
stuitte, ging het me ineens tegenstaan. Er was iets, en Marco
wist precies wàt: "als ik vis, wil ik geen vis eten.".
Hij had gelijk. Dat was het ook. Mn handen roken naar snoek.
Mn jas rook naar snoek. En mn broek rook naar snoek.
Dus rook uiteindelijk zelfs de zalm naar snoek. Ik hoop maar dat
de eenden er gelukkig van zijn geworden...)
Op
het breedste stuk van Bridget Lough, terwijl de wind flink aanwakkerde
en een hoop bevriende regen meebracht, vonden we een klein, gek
heuveltje. Onder water. Een afwijkende bult. Een snoekenbult,
bleek later. Marco had de stek onthouden en wilde er, vóór we
teruggingen naar succesvoller water, een keertje overheen. In
vijf minuten vingen we er drie snoeken, en misten we het zelfde
aantal. Steeds als we in de buurt kwamen van de bult, wísten we
dat er iets ging gebeuren. Een fantastische ervaring. Bult. Beng.
Snoek. Enzovoort.
Marco
en ik hadden allebei nog nooit meer dan 9 snoeken gevangen. We
waren een aantal keer in de buurt geweest, maar op de een of andere
manier wilde het maar niet lukken. Die magische 10.
Aan het eind van de middag had ik dat aantal gevangen. Het was
even stil geweest, maar we hadden het niet opgegeven. Ik had er
10! Jammer alleen, dat Marco op 8 was blijven steken. Ruim twee
uur had hij al niks meer kunnen vangen. Er was nog een half uurtje
te gaan, voordat Ferdinand ons weer van het meer af zou slepen.
Het weer veranderde voor de zoveelste keer. Een gouden licht scheen
over de helft van het meer. Ergens, zon 200 meter van ons
vandaan, spoot een regenboog uit het riet. Er was iets minder
wind. En ineens, een aanbeet. Nummer 9 voor Marco, vlak voor blessuretijd!
Nu werd het menens. Ik deed nog maar half mee, want de volgende
snoek moest niet aan mijn plug blijven hangen (niet dat Marco
me blijvend letsel zou bezorgen, maar het was gewoon leuker).
Zwijgend, geconcentreerd tot in zn hengeltop, visten we
een merkwaardige bocht met veel watersla op de bodem af. Ik had
een aanbeet. Van een krop Ierse moddergroente. Gelukkig. En toen
kreeg Marco zn zin. Een aanbeet. Niet spectaculair (wat
je bijna zou verwachten, op zon moment), maar het was een
echte. En hij zat vast als een huis. In de boot.
Foto. Twee zielsgelukkige vissers, en een laatste bekkie whisky
om het te vieren. Marco schreeuwde het uit. Ik genoot mee. We
konden weg (... jammer van de nummer 11 die Marco tot twee keer
toe miste). Record verbroken. Tiddo bellen in Nederland. En die
had er die dag 14 gevangen. Nou en.
Eenmaal
terug in Killaloe deden we nog één keer Crottys. We namen
een paar Kilkennys omdat, nou ja, omdat we daar zin in hadden.
En een flink bord onduidelijke, gefrituurde kip. God, wat waren
we moe. Op naar dag 6.
Een nieuw meer, met kans op grotere snoek. Ook leuk.