Dag
4: Disney-vis.
Tiddo's
laatste visdag. Hij zou de volgende morgen met Ursula's man meegaan,
die in Shannon werkt. Om half zes 's ochtends, dus niet veel slaap
voor onze steeds meer snoekende vismaat. Maar zover was het nog
lang niet. Tijd voor meer forellen.
Op
maandag, na ons teleurstellende bezoek aan de Nenagh, kregen we
van TJ twee forel-adressen: Lough Atorick (zie: dag
2) en het Clonlara Trout Angling Centre. Een mijl of twaalf
rijden van Killaloe, in het pittoreske Clonlara, zouden we kans
maken op grote, wilde, bruine forel. Alleen: de vis was er uitgezet.
'Stocked'. Niet echt spannend, en qua omgeving waarschijnlijk
zelfs nogal teleurstellend. Maar ach, als je nergens anders terecht
kunt, dan doe je het maar. Wie weet valt het mee.
Na
precies de verkeerde weg te hebben gereden, kwamen we aan in Clonlara.
Geen mens op straat, en de pubs waren nog dicht. Lekker rustig,
wel. Het Angling Centre was makkelijk te vinden. We reden over
een soort boerenpad met aan de rechterhand een strook water die
een sloot imiteerde. Zou dat... ? Op het erf van het Angling Centre
(tevens vliegvis- en vliegbindlessen) kwamen we tot stilstand.
Een slaperig rokende vrouw kwam naar buiten. Of we voor het vissen
kwamen. Ja, dat kwamen we. Maar bij de eerste vraag die Tiddo
stelde over het water, ging de vrouw al onderuit. Figuurlijk dan.
Dus zou ze de manager wel even roepen.
Wij
besloten in de tussentijd het water maar eens te gaan onderzoeken.
Wat zagen we precies? Oké, stel je een sloot voor die op de breedste
stukken vijf meter haalt. Helder. Het midden is relatief diep
(zag ik met m'n polaroid-bril), met wuivend wier. Een heel aardige
boerensloot. Met picknicktafels. Vuilnisvaten. En werpplateaus
die makkelijk twee meter het water inlopen (verreweg de beste
manier om de forel direct te verjagen). En geen vis. Tenminste,
niet veel. Hier en daar een kring, maar dat was het dan ook wel.
Na tweehonderd meter sloot loop je een heuveltje op. Daar begint
een nieuw stuk (dat via een watervalletje aansluit op het stuk
waar we net waren). Een smal stuk. Maximaal twee meter breed,
soms maar een meter. Je staat er dus in de lengterichting te zwiepen
met je stok.
We
liepen nog een meter of vijftig door en besloten terug te keren.
Wel doen, niet doen, toch wel doen, wat moeten we anders doen?
Terwijl we nog wat liepen te stekkeren, zag ik ergens aan het
eind van het eerste stuk ineens een enorme vis liggen. Een forel
die minstens 70 centimeter moest zijn. En dus besloten we maar
te blijven.
De
manager was inmiddels wakker. Hij verontschuldigde zich voor het
gebrek aan vis (tja, einde seizoen) en de magere collectie vliegjes
en spinnertjes (dat wilde ik ook even proberen) in z'n winkeltje.
Slaperig sliste hij zich door z'n verkoopverhaal heen. En wat
bleek (hoe kon het ook anders): hij had nog met TJ op school gezeten!
Dat moet een dynamisch duo zijn geweest.
We
tuigden de hengels op en trokken onze lieslaarzen cq. waadbroek
aan. Niet dat je het water in kon maar de oever was zó modderig,
dat we wel verplicht waren iets van rubber aan te trekken. Klaar
voor de wedstrijd, of nee, wat was het ook alweer, oh ja, de visdag.
We gingen vliegvissen.
Marco
en ik besloten om bij het breedste stuk te beginnen; Tiddo daalde
af naar het gedeelte dat we zagen liggen toen we aan kwamen rijden.
De zon scheen. Soms. En dan weer niet. En het regende. Af en toe.
Hard en dan weer zacht. En daar was de zon weer. En 'hoera voor
de polaroid-bril!'. Zeker onder dit soort omstandigheden een soort
wonderapparaat (alhoewel ik later in de week op een zeer regenachtige
dag op Lough Derg bijna net zoveel lol van de bril had). Je ziet
ineens vis die er eerst niet was. Je ziet stukken waar vis zou
kunnen zitten. Je hebt minder last van de zon. Maar het vangen
moet je zelf doen. En bij mij wilde dat niet zo lukken. Daar ging
ik weer: pielen en gooien en in de knoop raken en ontwarren en
weer opnieuw beginnen. Nieuwe vliegjes aanbinden, nieuwe leaders
knopen. Het hield maar niet op.
Tiddo
was zich niet bewust van de strijd die ik aan het leveren was.
Hij ving gewoon z'n eerste forel. Mooi beest, centimeter of vijfendertig,
aan een simpel goudkopje. We visten door. Tiddo gaf me zo af en
toe wat aanwijzingen die ik knorrig opvolgde, en niet lang daarna
ving ook Marco z'n eerste brownie. Groter (maar niet veel) dan
Tiddo's vangst. Alweer zo'n mooi gouden exemplaar. En ik? Ik zag
ze wel, maar ik bleef het maar verprutsen. Of ik stampte en sopte
net zo lang rond op de oever tot de forel in slaap gevallen was,
of ik was zo lang bezig met het ontwarren van een vers-geknoopte
leader, dat de forel maar naar Tiddo toezwom. Als ze ècht wild
waren geweest, had ik ze met mijn onhandige optreden allemaal
voorgoed weggejaagd.
Na
de lunch en de koffie, gingen we door. Twintig minuten rust geeft
de gefrustreerde visser weer wat nieuwe moed. Ik kon er dus weer
even tegenaan. Heel even. Want reeds bij worp drie ging het weer
mis. Een hopeloze knoop. Ik schreeuwde het uit. Boos. Ontmoedigd.
En Marco had de tijd van z'n leven...
Marco
stond al zo'n twintig minuten op een meter of vijftien rechts
van mij. In het laatste gedeelte van het brede stuk, een soort
kommetje, had hij een mooie forel zien liggen. Een forel die best
zou smaken. Maar helaas ook een forel die totaal geen interesse
toonde in Marco's nimfen-collectie. Hoe mooi Marco ook plaatste,
de vis was niet te vermurwen. Totdat Marco een droge vlieg aanbond.
Een exemplaar dat hij nog over had gehouden aan een uiterst teleurstellende,
visloze trip door Frankrijk (een onvriendelijk en ingewikkeld
land voor vliegvissers). En die vlieg deed het 'm. De forel zwenkte
lui uit naar het oppervlakte-hapje, kwam iets omhoog en slurpte
het ding naar binnen. Beng. Vast als een huis. Marco's eerste
vis op een drijvend harig ding! Het ultieme vliegvissen! Het werd
een mooie dril en een prima plaatje (zie plaatje)
,
waarna Marco de vis nog hevig moest reanimeren. Dat lukte. Marco
blij, ik iets minder. Want ik zat nog steeds in de knoop. En terwijl
ik -voor de zoveelste keer- een compleet nieuwe leader knoopte,
zag Marco een tweede forel liggen. En als er één forel is die
een droge vlieg pakt, dan doet die andere dat toch ook? Inderdaad.
Die andere deed het ook. Marco ving er dus nog een. Een klein
stukje groter dan de voorgaande. Genoeg om je adrenaline tot in
je haarpunten te voelen. En genoeg om link van te gaan roken.
Tevreden. En ik gaf het op. Dat wil zeggen: het idee dat ik nog
iets zou gaan vangen. Tiddo zat inmiddels op zes (hij had Marco's
avonturen met de droge vlieg niet van dichtbij mee mogen maken)
en Marco zou op vier eindigen. Bij mij zou het niks meer worden.
Wist ik. En dat scheelde. De laatste anderhalf uur was ik uitermate
ontspannen. Met luie zwiepen slingerde mijn lijn door de frisse
Ierse lucht. Achterwaarts, voorwaarts, in lange lussen. Mooi gestrekt
op het water. Pittig gestript. Eigenlijk best leuk. En toen het
ineens verschrikkelijk hard begon te regenen, en Tiddo en Marco
een veilig heenkomen zochten, ging ik fluitend door. Als de eenzame
cowboy met z'n lasso stampte ik door de modder. De tijd van m'n
leven terwijl ik niks ving. Ach, het was toch maar een forellenput.
De
terugweg was vrolijk. Tenminste, ik was vrolijk. Toen het loodzware
juk van 'moeten vangen' (mijn eigen fixatie) van m'n schouders
was gevallen, was m'n humeur er alleen maar beter op geworden.
Tijd voor een eerste biertje op de kamer, en een vroeg bezoekje
aan Goosers.
Goosers
ligt, net als TJ's Tackle Shop en Molly's, in Ballina. Dat klinkt
als een reisje, maar dat is het niet. Killaloe, het dorp, stelt
qua volume geen zak voor. En Ballina ben je al voorbij voordat
je de naam hebt uitgesproken. Om er te komen, hoeft je in Killaloe
alleen maar de brug over te steken (een nogal oud ding van een
paar honderd meter lengte. Af en toe vist het energiebedrijf dat
het water gebruikt er met grote netten op monstelijke paling.).
Loop door tot je niet verder kunt (hier vind je trouwens
ook TJ's), sla af naar rechts en loop nog tweehonderd meter door.
Et voilà, Goosers!
In
Goosers is het altijd druk. Elke dag, het hele jaar door.
Als je er iets wilt eten kun je kiezen uit duur en extra duur.
Duur is aan de bar (of een van de kleine tafeltjes in de buurt);
extra duur is in het restaurant. Het eten is exact hetzelfde.
Aangezien ik altijd graag in de buurt van de bar zit, was de keuze
makkelijk. Drie Kilkenny's graag! Oh, zelf halen? Ook goed. Tijd
voor een paar uur simplistische vispraat, lryische terugblikken
(Tiddo moest weg, weet je nog?) en een stuk of wat gul-schuimende
K's. Gelukkig hadden we er ook aan gedacht om iets te bestellen
dat met een bord te maken heeft, dus ook aan de knorrende magen
werd uiteindelijk gewerkt. Irish stew, prima spul. Een bord vol
stomende geprakte aardappel met brokken vlees in een romige jus.
Gezellig. (Tussen haakjes; de forel boven de open haard is nep.)
(...
toen Tiddo opstond, deed-ie dat keurig. Het enige wat ik nog weet
is een slaperige, mislukte high-five in een donkere slaapkamer.
Bedankt, Tiddo. We vissen... Maar eerst, dag
5)