Dag 3: eindelijk...
Laten
we meteen één ding duidelijk stellen: Ierland heeft snoek, en
Nederland
moet het doen met een imitatie. Een redelijk gelukt namaaksel
van wat er in de echt goeie stuken water in Europa zwemt. Best
oké, maar dan ook niet veel meer dan dat. En dat zijn ze in Ierland
dus wel. Ga maar na: in Ierland schommelt de temperatuur tussen
25 graden boven nul en 5 graden eronder. Een temperatuurverschil
van 30 graden. Terwijl 'onze' snoeken moeten groeien in een land
waar -door alle seizoenen heen- wel een verschil van 50 graden
kan optreden.
In
de winter groeien onze snoeken niet. Ze liggen, zeker bij strenge
vorst, op de modder te overleven. Eten gebeurt zelden, want alhoewel
het de nodige brandstof oplevert, kóst het ook energie. En dat
hebben ze hard nodig onder deze barre omstandigheden. Maar Ierse
snoek heeft hier geen last van (ik zou trouwens niet durven beweren
dat er nèrgens ijs ligt: daarvoor ken ik Ierland niet goed genoeg.
In County Clare, waar Killaloe ligt, komt het in elk geval nooit
voor). Ierse snoek kan het hele jaar door blijven bloeien. En
dat merk je aan het groeigedrag: heeft een Nederlandse snoek ca.
tien jaar nodig om de meter te bereiken; haar Ierse collega doet
er zes jaar over. Dat betekent dus bijna twee keer zoveel meter-snoeken
(als ik het simpel houd) in dezelfde periode! Daar komt nog bij
dat Ierse snoek in een aardig meer flinke lappen water moet overbruggen
om aan eten te komen. De conditie die ze hier mee opbouwen, voel
je aan je hengel. Het is opzienbarend. En wist je trouwens dat
er in Lough Derg ook forse forel woont? Een uitstekende oplossing
voor de snoek die z'n vetgehalte op peil moet houden.
Maar
goed, we waren bezig met dag 3. De eerste kennismaking met
Ierse snoek.
Dit
was de dag van de waarheid. Even geen getrut met forellen. Vandaag
gingen we achter de Ierse snoek aan. Genadeloos. Ferdinand had
ons, nerveuze jongetjes, om 8.30 uur opgepikt met z'n auto en
trailer met daarop zijn 'persoonlijke' visboot, een 16 voet Sylvan.
Omdat er nogal veel
wind was voorspeld begonnen we niet meteen in Killaloe, maar moesten
we een klein half uurtje rijden langs het meer. Naar Garrykennedy.
Het
was het uur van de waarheid. Tijd voor grote sterke snoek, opgestapeld
in rotten van tien. Hele bóten vol van het beste roofvismateriaal
dat Europa te bieden heeft. Oeps. Mis. Zo mis als mis maar zijn
kan. Want we stonden aan de oever van Lough Derg.
(...
voor wie het niet weet: Lough Derg is misschien nog het beste
te vergelijken met het IJsselmeer na een geduchte ingreep van
een getalenteerd plastisch chirurg: nog steeds even groot, maar
een heel stuk prettiger om te zien. Lough Derg is ruw, grillig
en griezelig imposant. Vijfenveertige kilometer lang, omgeven
door glooiende Ierse heuvels, en bezaaid met stoere rotsen. Niet
echt het water waar je als fervent lelieprikker en boothuizenpriegelaar
zomaar even gaat vangen. Oh, zeker, we zijn in principe wel gewend
aan redelijk fors water. Onze boot ligt meestal ergens op de Vinkeveense
Plassen en ook de Wijde Blik wordt wel eens bezocht, dus we zijn
de parkvijver inmiddels ontgroeid. Alleen... we rommelen over
het algemeen juist angstvallig om die gapende plas heen. In de
kantjes, bij de haventjes. En soms, in de zomer, als de fonteinbedden
aan het oppervlakte likken, in de buurt van het talud. Maar bijna
nooit echt eróp. Want ook al hebben we natuurlijk een 'fishfinder';
die grote lap nattigheid is vele malen lastiger en ontmoedigender
dan een overzichtelijk hoekje. Zo'n hoekje waar we altijd wel
iets uit weten te trekken. Stoere snoekers die we zijn. Specimen-hunters
pur sang. Mannen van het klotsende water. Maar daar dacht Lough
Derg dus heel anders over...)
We
werden er stil van. En zo onzeker als we al jaren niet meer waren
geweest. Wat deden we hier ook alweer? Waar moesten we beginnen?
Zo'n grote hooiberg hadden we nog nooit gezien. Maar we hadden
een speldenvinder meegenomen. Ferdinand.
Ferdinand
(Heijerman, voor de volledigheid) kent Lough Derg zoals ik de
binnenkant van m'n koelkast ken: hij weet precies wat er in zit,
waar het ligt en of het nog de moeite waard is. Hij vist immers
al veertien jaar op dat bijna onoverwinnelijke water, en omdat-ie
er geen genoeg van kon krijgen, is hij er in 1995 maar gaan wonen.
Járen stak hij in het ontdekken van de goede stekken en het feilloos
in kaart brengen van de nauwelijks zichtbare, gevaarlijk loerende
rotspartijen. Dag in dag uit ranselde hij z'n boot door het water,
vastbesloten zich niet te laten kennen. Gedreven door een onzichtbare,
eigenwijze kracht. En voor een uitstekend op te hoesten bedrag
mochten we daar van profiteren. Een onvoorstelbare belevenis.
'Ferdy' loodste ons direct
naar een stek die er helemaal niet uitzag als een stek: een en
al nattigheid, en dat zag je nu eenmaal overal. Maar omdat we
hem meteen vertrouwden, begonnen we maar te gooien. Jerkbait,
bucktail-spinner en een bescheiden jointed Rapala kletsten in
het rond. Want Ferdinand zei dat het goed was. En dat was het
ook. Ik verspeelde na tien minuten een metersnoek. Marco ving
binnen een kwartier drie oersterke tachtigers. En ook Tiddo mocht
al snel het genoegen smaken van de Ierse geweldenaars. De krachtpatsers
En dat is nog maar een karige omschrijving. Want sterk is één
ding, maar zo onredelijk als de snoek daar aan je -voor Nederlandse
begrippen- stoere hengel kan sleuren, is onvoorstelbaar!
De
exacte score van deze dag? Marco vijf, Tiddo drie, Ferdinand een.
En Marnix nul. Op de een of andere manier was het mij, ondanks
een aantal bloedpompende aanbeten, niet gelukt een snoek te landen.
Gelukkig heb ik de afgelopen jaren m'n loyaliteit uitstekend getraind,
en was ik alleen al blij omdat de anderen blij waren. Ik vind
het gelukkig vreselijk mooi om iemand een grote sterke vis te
zien vangen.
Die
eerste echte dag op Lough Derg vingen we dus 'slechts' acht snoeken
(maar ze waren allemaal fors en allemaal zeer boos). Is dat weinig?
Ja, eigenlijk wel. De score had veel hoger kunnen en moeten zijn.
Door onoplettendheid trok ik 's middags m'n plug al uit het water
vóór ik de gretig volgende meter nummer twee had opgemerkt. Marco's
twintig ponds gevlochten lijn brak, al dan niet door een ongelukkige
aanvaring met een scherpe rotsrand, tijdens een aanvaring met
een andere royale meter. En ook Ferdinand's imposante gele jerkbait
werd nípt gemist door een prachtig, ellenlang monster. Elke dril
die we die dag mochten beleven, was een bijna buitenaardse ervaring.
En al dat gespierde geweld speelde zich steevast af op de vreemdste
plekken. Maar Ferdinand zei dat het goed was. En dat was het.
Crotty's.
Eten. Drinken. Prima.
Waren
we opgewonden? Nogal. Smaakten de snoeken op Lough Derg naar meer?
Nou en of! En
dat was dan ook precies het onderwerp van gesprek tijdens het
afzakkertje op onze kamer. Wat zou de volgende
dag ons brengen?